Roeicommando's

Inhoud

1. Doel

2 Commando's voor het verplaatsen op het land

 2.1 Het naar buiten brengen van een C-4 boot
 2.2 Het naar binnen brengen van een C-4 boot

3. Commando's voor het wegvaren

 3.1 Aan de waterkant
 3.2 Het instappen
 3.3 Voetenborden stellen
 3.4 Loskomen van de steiger
 3.5 Het wegroeien

4. Stop- en manouvreercommando's

 4.1 Ophouden met roeien.
 4.2 Vaart afremmen tot stilliggen
 4.3 Snel stilliggen
 4.4 Achteruitroeien
 4.5 Draaien vanuit stilstand
 4.6 Koers wijzigen tijdens roeien
 4.7 Smalle doorvaarten
 4.8 Kleine gevaarsituatie

Het hanteren van roeicommando's is de methode om op een korte en efficiënte manier te kunnen communiceren tussen stuurman (-vrouw) en roeiers met als doel enerzijds de veiligheid op het water, zowel voor personen als voor materiaal te waarborgen, anderzijds op het land adequaat om te gaan met het materiaal.
De commando's dienen voor iedereen verstaanbaar, luid en duidelijk uitgesproken te worden.
Een commando bestaat veelal uit een waarschuwings- en een uitvoeringsgedeelte.

Scheepstermen, zoals gebruikelijk in de watersport, worden ook bij de roeisport toegepast:

Stuurboord rechterzijde van de boot, gezien van spiegel naar boeg.
(groene manchet van de riem).
Bakboord linkerzijde van de boot, gezien van spiegel naar boeg.
(rode manchet van de riem).
Slag de roeier achterin de boot.
Boeg de roeier voorin de boot.
1, 2 etc. elke roeier heeft een nummer, boeg=1 etc.

In de botenloods liggen de boten in stellingen en rustend op de boorden, dus met de kiel omhoog.

2.1. Het naar buiten brengen van een C4 - boot

Allereerst dient een kar buiten de loods gereed te staan en het draagvlak door één persoon horizontaal gehouden. De roeiers stellen zich aan weerskanten buiten de riggers op en daar waar de boot smaller wordt; degene, die het meeste overzicht over de situatie heeft, meestal de stuurman, geeft de volgende commando's:

‘aan de boorden’
‘tillen gelijk .... nu’
De boot wordt naar het gangpad getild en vervolgens voorzichtig (denk om de dollen!) naar buiten gedirigeerd en op de kar gezet. Nabij de steiger, nog op het beton, dient de boot gedraaid te worden; de roeiers stellen zich op daar waar de boot smaller is en wordt , wederom door één persoon de volgende commando's gegeven:
‘tillen gelijk .... nu’ de kar wordt onder de boot weggehaald.
‘draaien in de handen .... nu’ waarbij de boot met de kiel ten allen tijde in de richting van het water wordt gekanteld
‘overpakken’ iedereen steunt met een hand het onderliggende boord en pakt met de andere hand een spant. Denk erom: aan boorden wordt niet getild!
‘overslagen los’ elke roeier maakt, nog steeds met één hand tillend, de dichtstbijzijnde overslag(en) los. Alle overslagen dienen nu los te zijn.

 

 

Met name bij het draaien dient erop gelet te worden, dat de dollen niet over het beton schuren.

2.2. Het naar binnen brengen van een C4 - boot

De commando's zijn identiek, de handelingen in omgekeerde volgorde, de kar dient klaargezet te worden etc. Na het draaien dient de boot aan onderzijde drooggewreven te worden met de daarvoor bestemde doeken. De boot wordt met de spiegel de loods ingereden en op de stelling geplaatst.

3.1. Aan de waterkant

De boot wordt naar het water gedragen en wordt met de boeg in de goede richting in het water gelegd. Met een C - boot, voorzien van een kielstrip, mag rechtstandig met de kiel over de rand van de steiger geschoven worden.
De riggers mogen niet belast worden, deze moeten vrij over de steiger liggen.
Een uitzondering wordt gemaakt bij het instappen van een skiff; indien men alleen is, dan moet, ter voorkoming van omslaan, de rigger met één hand aan de steiger vastgehouden worden.
De riemen worden in de dollen gelegd, waarbij gelet moet worden dat:

  • de riemen met de groene manchet in de stuurboordsdollen gelegd worden;
  • en de riemen met de rode manchet in de bakboordsdollen.
  • de riemen zijn genummerd, nr. 1 de boeg, etc.

Gelet op de ligging van de boot, boeg richting Grote Vliet, betekent dit, dat de riemen met de groene manchet zich aan waterzijde en de riemen met rode manchet zich aan landzijde bevinden.
De riemen aan landzijde worden met de bolle kant naar boven neergelegd, zodat de bladen op de slijtrand rusten.
De overslagen aan landzijde worden dichtgedraaid.

3.2. Het instappen

De roeiers stellen zich naast de boot op bij hun plaatsen, het gezicht gericht naar de achtersteven. De rolbankjes worden zover naar achteren geplaatst, opdat voldoende ruimte ontstaat voor het instappen. De stuurman houdt de boot vast, zo dicht mogelijk bij het vlot en zorgdragend, dat de riggers vrij liggen. De volgende commando's worden door de stuurman gegeven:

‘instappen gelijk ....’ waarschuwingscommando.
‘een ....’ de voet aan bootzijde op het opstapplankje zetten;
‘twee ....’ het lichaamsgewicht overbrengen op deze voet, het tweede been binnenboord brengen en al knielende deze voet in het voetenbankje plaatsen en op het rolbankje gaan zitten;
‘drie ....’ de voet van opstapplankje naar voetenbankje verplaatsen.

De overslagen van de dollen aan waterzijde worden vastgedraaid.

3.3. Voetenborden stellen

Als de roeier zijn afstelling weet, dan is het het eenvoudigst dit te doen, alvorens in te stappen. Als de afstand niet bekend is, dan kan dit afgesteld worden na het instappen; de stuurman is dan nog niet ingestapt. Het beste is deze handeling te verrichten op het water met als belangrijk argument, dat de riggers vrij zijn van de steiger.

3.4. Loskomen van de steiger

De stuurman stapt normaliter als laatste in de boot. Afhankelijk van de situatie kan hij de volgende commando's geven:

‘uitzetten gelijk .... nu’ de roeiers duwen gelijktijdig met één hand de boot van de steiger;
Of: ‘alleen boeg uitzetten’


3.5. Het wegroeien

‘slagklaar maken ....’ waarschuwingscommando:
De roeiers nemen de inpikhouding aan, ze rijden helemaal op en hebben de bladen plat op het water;
‘slagklaar ? ....’ waarschuwingscommando: De roeiers draaien de bladen vertikaal in het water, daarbij hun handen in de juiste positie draaiend (de rug van de hand in een lijn met de onderarm);
‘af’

 

4.1. Ophouden met roeien

‘laat ....’ (waarschuwingscommando); deze wordt gegeven aan het begin van een haal.
‘lopen’ (uitvoeringscommando); deze wordt gegeven aan het einde van dezelfde haal; bladen los van het water.
‘bedankt’ uitvoeringscommando); de bladen worden horizontaal op het water gelegd.

 

4.2. Vaart afremmen tot stilliggen

‘vastroeien ....’ (uitvoeringscommando); commando voor bakboord of stuurboord of voor beide: de bladen worden geleidelijk van horizontaal naar verticaal gedraaid met de bolle kant richting boeg, waardoor de boot afremt.
‘houden ....’ idem, de bladen helemaal verticaal, waardoor de boot stil komt te liggen.

 

4.3. Snel stil liggen

‘stoppen, nu’ (waarschuwing, direct gevolgd door uitvoeringscommando) Noodcommando, wordt gegeven als zeer snel moet worden afgeremd. Dit commando kan tijdens elk deel van de haal gegeven worden; de roeiers houden onmiddellijk op en remmen de boot snel af door de bladen rechtop in het water te zetten met de holle kant richting boeg.


4.4. Achteruitroeien

‘strijken gelijk ....’ (waarschuwingscommando): de roeiers zetten de bladen verticaal in het water met de handen vlak voor het lichaam.
‘nu’ (uitvoeringscommando); de roeiers maken korte halen achteruit, dus duwend. In principe zonder oprijden en enigszins voorzichtig.


4.5. Draaien vanuit stilstand

Men kan draaien vanuit stilstand door om en om per boord haal- en strijkbewegingen te maken of door afwisselend steeds een enkele haal te maken. Dit laatste heet ‘rondmaken’ en dat kan dan ook weer met of zonder oprijden. Uit veiligheidsoverwegingen en materiaalbescherming wordt aangeraden het rondmaken in het algemeen zonder oprijden en met beperkte kracht te doen.

4.5.1. draaien met afwisselend halen en strijken. (zonder oprijden)

Deze methode wordt het meest toegepast met beginnende roeiers.

‘halen x-boord ....’ een boord begint met halen.
‘x-boord bedankt‘ dat boord stopt met halen en wacht in de uitgangshouding.
‘strijken y-boord ....’ het andere boord gaat strijken.
‘y-boord bedankt ‘ en op deze manier doorgaan tot de boot is gedraaid.


4.5.2.het rondmaken

‘rondmaken over x-boord ....’ Het betreffende boord zet de bladen verticaal in het water vlak bij het lichaam.
‘x-boord strijken’ het andere boord reikt naar voren en zet ook de bladen verticaal in het water.
‘nu’ x-boord en y-boord gaan afwisselend strijken en halen, in principe zonder oprijden.


4.6. Koers wijzigen tijdens het roeien

Dit wordt toegepast bij scherpe bochten of als de stuurman extra hulp nodig heeft van de roeiers.

‘x-boord best ....’ dat boord dient bij de volgende haal meer kracht te leveren.
‘en gelijk ‘ of
‘beide boorden gelijk’
Opheffing van voorgaand commando, beide boorden leveren weer evenveel kracht.


4.7. Smalle doorvaarten

‘slippen x-boord .... nu’ dit commando wordt bijvoorbeeld gegeven bij een smalle doorvaart of bij aanleggen aan een hoge wal. De roeiers maken de haal af en laten de riem langszij komen, waarbij ze het blad, indien mogelijk, los van het water houden.
‘intrekken .... nu’ ...


Bij het naderen van een smalle brug kan ook als volgt worden aangegeven met de aankondiging: ‘we gaan zometeen slippen’, en dan vlak voor de brug: ‘laatste haal..nu’. De roeiers maken hun haal af en slippen vervolgens de riemen. Als ze die los van het water houden zal de boot weinig snelheid verliezen, waardoor de brug snel zal worden gepasseerd.

4.8. Kleine gevaarsituatie

‘pas op de riemen..’ kan voor één of voor beide boorden gemeld worden
Bijvoorbeeld als er iets in het water ligt of iets rakelings gepasseerd wordt. De roeiers kunnen de riemen intrekken of iets optillen tijdens het passeren.